Welkom!

Dit is de website van Kees Blokland. Kijk rond en geef een reactie.

Welcome,
This is the website of Kees Blokland. Have a look around and give a reaction.

essay 4 : principes of regels

Essay 4 werken we op basis van principes of regels?
Netjes de opgestelde regels volgen is vaak gemakkelijker dan kijken naar de achterliggende principes van die regels. Maar dat laatste levert ook vaak meer inzicht op.

Onlangs werd in de Commissie Normstelling, die gaat over de erkenning van goede doelen-organisaties in Nederland, door professor Hans Gortemaker een lans gebroken voor de benadering “principle based” , in plaats van “rule based”. Dat heeft me aan het denken gezet.
De discussie over werken op basis van regels of op basis van principes neemt volgens mij toe. De roep om minder regels wordt meestal sterk ondersteund door de wens om te werken op basis van meer algemene waarden, principes en afspraken, zodat er ruimte is voor een gewogen interpretatie.
Oorspronkelijk komt deze discussie uit de wereld van de accountancy, waar er een redelijk fundamenteel verschil van aanpak is tussen de Amerikaanse en Angelsaksische praktijk enerzijds en de Europese praktijk anderzijds. In extremis wordt dit geïllustreerd in de Enron-zaak. Management en accountants hielden heel lang vol dat voldaan werd aan alle regels, terwijl voor betrokkenen al lang helder was, of in elk geval had moeten zijn, dat er iets fundamenteel niet deugde.
De vraag kan gesteld worden waar een accountant meer zuiverheid aan kan ontlenen: het checken van de bestaande regels en afvinken van de vragen of het gewetensvol wegen van de grondprincipes in hun praktische uitwerking op de casus. Deze stammenstrijd is, naar ik begrijp, nog steeds aan de gang. Maar aan deze kant van de Noordzee lijkt er een voorkeur en een praktijk te zijn gegroeid die een zwaar accent legt op het zorgvuldig toetsen van principes.
Anderzijds zal er ook bij een principle based benadering altijd behoefte zijn aan duidelijkheid en helderheid, en daarbij kunnen regels en normen die meetbaar en eenvoudig toetsbaar zijn zeker bij helpen. In het onderstaande laat ik dit thema, of anders dilemma, los op een aantal andere werkelijkheidsgebieden.

1) De opleiding tot predikant
In het Doopsgezind Seminarium, verbonden aan de VU, is een curriculum vastgesteld waarin een diversiteit aan vakken verplicht gesteld is als basis voor de Mastertitel. Daarbij zijn er vakken die als basis dienen voor het proponentschap, op grond waarvan iemand beroepen kan worden als predikant van een gemeente. Denk aan vakken als predikkunde (chiquer gezegd: homiletiek), bijbelse theologie, filosofie, systematische theologie, enzovoorts.
Deze eisen zijn vertaald in studiepunten per vak, verplichte werkgroepen, exameneisen, eindtermen en assessments, in steeds meer detail in de loop der jaren. Uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking is het ook goed dat hier de hand aan wordt gehouden.
Tegelijkertijd zien we een enorme ontwikkeling en verandering in de praktijk van de levende gemeenten. We zien een leegloop van de traditionele kerken, tal van experimenten met liturgie, verbreding naar zingevingsvraagstukken, het ontstaan van ‘Theopoetics’, en baanbrekende veranderingen in het publiek discours over de grenzen van vrijzinnige theologie.
We willen nog steeds dat de academische opleiding mensen kwalificeert voor het prachtige beroep van predikant, maar alleen vasthouden aan de regeltjes van de bestaande vakken is daarvoor onvoldoende. We moeten terug naar de vraag wat er nodig is om aan de universitaire norm te voldoen en wat er nodig is om aan de eisen van de praktijk te voldoen.
Als theologie over twintig jaar nog relevant wil zijn moet ze mijns inziens bereid zijn fundamenteel naar de principes te kijken, met een contextuele bril, en met respect voor de traditie. En respect voor de traditie is nu juist niet alles letterlijk nemen wat ooit is opgeschreven, vastgelegd, geloofd en voorgeschreven, maar ernstig onderzoek doen naar wat de onderliggende grondprincipes zijn.

2) De Code Verantwoordelijk Marktgedrag
De Code Verantwoordelijk Marktgedrag richt zich op het beïnvloeden van partijen in de markt van facilitaire dienstverlening aan de ‘voorkant’, zodat er beter sociaal beleid voor de uitvoerende medewerkers aan de ‘achterkant’ mogelijk is. Daartoe hebben zich 1430 opdrachtgevers, opdrachtnemers, intermediairs en vakverenigingen verenigd en de principes uitgeschreven in een Code Verantwoordelijk Marktgedrag.
In de Code hebben we ons vastgelegd op een aantal leidende principes en doen we een sterk moreel appèl op de marktpartijen. Tegelijkertijd is er vanaf het begin ook een behoefte aan enkele duidelijke toetsbare regels.
Die regels hebben in elk geval beperkingen: de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ziet er op toe dat er door de aanbieders in de markt geen afgestemd gedrag wordt gepraktiseerd. Gemeenschappelijke productiviteitsnormen zijn dus uit den boze, want dan zondigen we tegen het mededingingsrecht.
Maar soms is het best prettig om een heldere norm mee te geven. Zo stellen we in de Code dat een opdrachtgever op zijn minst één keer per jaar in gesprek moet gaan met de uitvoerende medewerkers, die ‘achter de knip’ in uitbesteding voor hem werken, om zich er in persoonlijk contact van te vergewissen hoe er met hen wordt omgegaan en hoe zij de werkomstandigheden beleven.
Vanuit de praktijkmensen is er steeds een roep om meer concrete normen. Tegelijkertijd proberen we vanuit het bestuur om de onderliggende principes, die van morele aard zijn, niet te laten ondersneeuwen.

3) Hoechst Vlissingen
In 1994 pleegde een medewerker van het chemische bedrijf Hoechst Vlissingen (een bedrijf met toen zo’n duizend medewerkers) suïcide, nadat hij beschuldigd was van het ontvreemden van geld uit de kas van de beveiliging. Hij was op staande voet ontslagen, in verwarring thuis aangekomen en opgenomen in een inrichting. Daar was er, tegen het beleid in, geen toezicht op hem. Hij benam zich daarop het leven.
Dit gaf natuurlijk enorme consternatie in het bedrijf. Er waren grote vragen over de gang van zaken, er was een schuldvraag en er heerste algemene rouw onder management en werknemers. In dat klimaat ontstond de behoefte aan een krachtig bedrijfsreglement waarin duidelijk zou worden vastgelegd wat de normen, waarden en regels van het bedrijf waren. Een ethisch reglement zogezegd.
Er waren namelijk bij het nadere onderzoek dat ik toen moest doen nogal wat zaken boven tafel gekomen rond kleine en grote ethische dilemma’s. Is het oké als een onderhoudsmonteur een keer gereedschap mee naar huis neemt? Mag je het kopieerapparaat gebruiken voor een mededeling van de lokale voetbalvereniging (met of zonder vergoeding)? Mag de directeur de schroefas van zijn boot even door de technische dienst laten checken? Enzovoorts, enzovoorts.
Ik heb toen intuïtief gekozen om dit ethische reglement niet te laten worden tot een set zeer concrete regels, met bijbehorende één op één sancties, maar om het te houden bij principes, voorbeelden en procesafspraken. Voor de sanctionering pleitte ik tot een steeds afgewogen oordeelsvorming.
Het proces van opstellen en bespreken van deze set waarden, normen en regels had op zichzelf destijds al een louterend effect, al bleef de wond lang pijnlijk voelbaar. Ik was me toen nog niet eens bewust van de discussie over principes versus regels, maar achteraf ben ik blij dat we niet tot een regelgedreven reglement zijn overgegaan. Ik bewaar ook zeer goede herinneringen aan de gewetensvolle manier waarop vakbonden, ondernemingsraad, directie en personeel hierover met elkaar in gesprek zijn gegaan, onder het motto: “Dit nooit meer.”

Principes of regels
Ik hoop dat de accountants zich niet laten ontregelen door alle recente strenge onderzoeken van toezichthouders en (blijven) kiezen voor gewetensvolle zorgvuldigheid in plaats van risicomijdend vinken.
Ik hoop dat studenten theologie de beste mix van basiskennis en fundamenteel vrijheidsdenken meekrijgen op seminarie en universiteit. Ik hoop dat de Code Verantwoordelijk Marktgedrag met een moreel appèl ook praktische gedragsverandering te weeg brengt. Ik hoop dat ethische discussies in bedrijven over het ‘echie’ gaan, en niet verzanden in komma’s en punten.
Om mijn onvergetelijke oude baas bij de Hodon Groep, (wijlen) Ton Funke Küpper, te citeren toen hij door de regelvaste Ondernemingsraad werd uitgedaagd helderheid over de regels te verschaffen : “U moet kiezen: duidelijkheid of inspraak.”

essay 3 tijd van leven

Tijd van leven

 

Begrip van tijd

We leven in de tijd, die ons bijna als vanzelfsprekend begeleidt terwijl we onderweg zijn. Vanaf onze eerste bewuste beleving is de overgang van dag naar nacht en omgekeerd een gegeven. Een ritme van eten, wachten en slapen voegt zich daar langzaam in, en wat later horen we van de seizoenen, verjaardagen en leren we klokkijken. We leren met de tijd omgaan, maar de vraag “wat is tijd eigenlijk”  is niet eenvoudig te beantwoorden. Tijd is wel in zijn effect te beschrijven, maar éénduidig definiëren is een slag moeilijker.

Als eerste komt boven dat tijdbeleving het verschil tussen verleden, heden en toekomst is. De tijd loopt maar één richting op, en kan niet terug, ook niet teruggedraaid worden. Er zijn wel wiskundige beredeneringen van modellen waarin de tijd in theorie ook kan teruglopen, maar dat wordt naar de huidige stand van de wetenschap als uiterst onwaarschijnlijk beoordeeld. Interessant is dat de beleving van verleden, heden en toekomst tussen mensen aanzienlijk kan verschillen. Zo is in de chinese cultuur het verleden zwaarwegend, en in de amerikaanse cultuur de toekomst, natuurlijk met grote individuele variaties. De laatste jaren is er meer nadruk gekomen op het beleven van het heden, door meditatie, mindfullness, yoga e.d. proberen we het moment in het heden, in het hier en nu, bewust te beleven. En te voorkomen dat het verleden zonder pauze wordt opgevreten door de toekomst.

 

Tijdsbeleving

Er is een subjectieve tijdsbeleving. De jaren van onze jeugd en middelbare schoolperiode lijken vol gestoffeerd met ervaringen en herinneringen, en beslaan een veel omvangrijker tijdsduur dan de jaren als we ouder zijn, waarin de seizoenen veel sneller lijken te gaan. Eeuwenlang heeft de mensheid aangenomen dat er een objectieve, universele, tijd bestaat : de wereld van de natuurkundige Newton kende een driedimensionale ruimte en een universele tijd. In de 20eeuw heeft Einstein met de relativiteitstheorie dat model van denken op losse schroeven gezet. Tijd blijkt relatief te zijn, en samen te hangen met locatie/ruimte, en te veranderen onder invloed van snelheid van beweging en ook zwaartekracht. Deze relativiteit is wel te beredeneren (op zich moeilijk genoeg!), maar toch heel moeilijk invoelbaar, in beelden te vangen, voor ons, eenvoudige stervelingen.

 

Eeuwigheid

Tijdloosheid en eeuwigheid hebben de mensheid altijd gefascineerd, en in religies hebben deze begrippen een vooraanstaande plaats gekregen. Als je onder eeuwigheid niet oneindige tijdsduur bedoelt maar tijdloosheid, dan leeft diegene eeuwig die volledig in het nu opgaat, in het nu leeft. Er zijn beschrijvingen van mensen die zó verdiept geraakt zijn in meditatie dat ze , achteraf, het gevoel beschreven dat de tijd stilstond, dat ze opgingen in het moment. Ook is beschreven in studies van bijna-doodervaringen dat in retrospectief het hele leven in één flits werd herbeleefd. In ons woordgebruik is deze interpretatie bijna ongemerkt binnengeslopen :”het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen“ of , nog pregnanter : “uit de tijd zijn”.

Augustinus schrijft over de relatie tussen mens en God als een relatie tussen tijd en eeuwigheid. Wat stelt mensentijd voor in vergelijking met God’s eeuwigheid? Augustinus stelt dat God zich boven de tijd verheft, doch tevens in de tijd staat: uw heden is eeuwigheid, en uw jaren zullen niet ophouden.

In de postmoderne tijd noemen theologen God vaak “ de Eeuwige”, waarmee het tijdsapect een essentieel onderdeel van het Godsbegrip is geworden.

 

Essentie van leven in de tijd

Grip krijgen op het leven, doordringen tot de zin van het leven, heeft m.i.  een begrip van de tijd nodig. Als je het gevoel hebt dat de tijd als zand tussen je vingers glipt, dan is de voortgaande tijd je de baas geworden. En voortgaan zal de tijd. Onvermijdelijk tot aan het einde van het leven. Dat einde is tot op zekere hoogte in de tijd te beheersen, door gezond te leven en door goede medische zorg, te verlengen, ongelukken en ongevraagde ernstige ziektes daargelaten, maar het komt zeker. Is dan je perspectief dat je voordien echt gelééfd moet hebben, alles eruit gehaald, of dat je een goed mens bent geweest voor je naasten, of dat je jezelf, je talenten, je opdracht, verwerkelijkt hebt? Of is je perspectief dat je hergeboren wordt, dat je in het hiernamaals zal worden opgenomen, dat je pas na je leven tot je bestemming komt? Of dat het er niet toe doet?

Essentieel voor leven is het beleven, het handelen, het denken. Met hoofd, hart en handen in het volle leven deelnemen. En voor al deze dingen is tijdsverloop nodig : beleven is per definitie een proces. Zonder tijdsverloop zijn we niet in staat te voelen, te ruiken, te proeven, onze gedachten te laten gaan. Als we ons voornemen diep in het moment in te dalen, het hier en nu ten volle te beleven, fundamenteel na te denken, te reflecteren op goed en kwaad : dit alles lukt slechts onder voortgaande tijd. En die willen we op onze beste momenten vasthouden, beetpakken, niet verloren laten gaan. Liefst stilzetten, maar stilstaande tijd maakt beleving onmogelijk.

Dit is een paradox : om de tijd te overwinnen , moet je intens terug naar het moment, daar het beste van maken : liefde geven, waarde scheppen, voluit beleven, versmelten, bidden, zingen en nog veel meer. En al deze dingen zijn slechts mogelijk dank zij het verloop van de tijd. Die paradox is niet eenvoudig oplosbaar. Dan is het goed om te bedenken dat je dit niet allemaal zelf bewust hoeft te regelen, te plannen , te conditioneren. Je mag er vanuitgaan dat het je zomaar, soms, overkomt, dat het je onverwacht wordt aangereikt, dat het je door anderen wordt doorgegeven. In orthodoxe termen : dat het je als genade wordt toebedeeld. In existentiële woorden : dat het je toevalt.

 

Pijn

Soms werkt de tijd schrijnend. In onze vriendenkring heeft een jonge moeder de diagnose uitgezaaide   kanker te horen gekregen. Plotseling staat er een streep getrokken tussen haar en het leven: haar tijd is beperkt en bezwaard. Haar familie staat van de ene op de andere dag in de verzorgingsstand, zij wordt geconfronteerd met pijn, onzekerheid en het naderende einde. Wat staat er nog te doen, te beleven, te denken? Geloof, hoop en liefde, zeg ik Paulus na en van deze het meest de liefde. Van haar familie, haar naasten en, op afstand, maar zeker ook, van ons. Maar de pijn blijft steken.

 

Tijd gebruiken

Tijd van leven : zolang we leven is de tijd erbij, erin, er doorheen. De tijd is beperkt, maar de tijd is ook het unieke voertuig voor het beleven van de essenties die het leven bepalen. We weten niet wat tijd precies is, we hebben geleerd naar de klok te kijken, we meten de tijd met een atoomklok tot op microseconden nauwkeurig, maar als we niet opletten stroomt hij als water naar de zee. Wat we met die tijd, in die tijd, doen doet ertoe. Het is niet gedetermineerd door de natuurwetten, het ligt niet geheel vast in onze genen en ons onderbewuste : er is wel degelijk ruimte voor eigen beslissingen over wat je doet in en met je leven. Deze vrijheid is kostbaar, en het is de moeite waard er meer mee te doen dan “ op vrijdagavond te basaalmetaboliseren voor de buis aan een infuus met borrelnootjes”. Overigens : natuurlijk heb ik niets tegen af en toe laag bij de gronds ontspannen, maar als het dominant wordt in de levensstijl, dan zou ik me zorgen gaan maken. Laat die vrijheid ook weer niet als een dure verplichting, als een zwaard van Damocles, boven je hoofd hangen : je keuzes tellen echt, ze doen ertoe,maar je mag je laten leiden door je gevoel en je verstand en ook wel door het moment, en door je omgeving, en ook door de onverwachte aanraking die je af en toe overkomt. Dan “weet” je ineens : dit is een essentie, dit is waarvoor ik leef. Voor sommigen heet dit “aangeraakt door de Eeuwige”, voor anderen “existentiële beleving”, of “zelfverwerkelijking”.

 

Tijd van leven

Onze tijd hier op aarde is beperkt, maar is tegelijkertijd ons grondmateriaal , een noodzakelijk instrument, een unieke kans, een opdracht wellicht, om er iets van te maken en we mogen hopen om in die missie opgetild te worden.

 

essay 2 over water lopen

Over water lopen

Op zondag fiets ik, als ik in Amsterdam ben, graag over het Museumplein, onder het Rijks, langs de Spiegelgracht naar het Singel, naar de doopsgezinde schuilkerk. Achter een grachtenpand, door een besloten gang, bereik ik dan een grote, sober ingerichte kerkzaal. Door hoge ramen valt ruim licht naar binnen, een fraai ingebouwd orgel onthaalt me op klanken, die me uit mijn vroege jeugd vertrouwd klinken. De zaal vult zich stilaan met  bekende en onbekende mensen, dan begint de dienst in een eenvoudige liturgische vorm. Ik doe mee, ik luister, ik zing, ik zeg het onze vader mee op, ik overdenk de week, ik voel me op mijn plaats en ik twijfel.

Natuurlijk twijfel ik, en ik ben niet de enige. Steeds minder mensen geloven, de deelname aan kerkelijke activiteiten loopt sterk terug in Nederland, in het maatschappelijk debat speelt de kerk vrijwel geen rol meer en de theologen hoor je bijna niet meer. De letterlijke teksten uit de bijbel bevatten vaak achterhaalde verklaringen voor natuurverschijnselen, onwaarschijnlijke wonderverhalen, merkwaardige opsommingen van afstammingslijnen en ook wrede oorlogsverhalen met “foute” inzet. Natuurlijk weten moderne dominees die verhalen contextueel te relativeren, en via associaties en narratieve interpretaties zodanig te draaien of om te keren dat er nog iets zinvols uit af te leiden zou kunnen zijn, maar ik twijfel.

Tegelijkertijd is de waarde en het belang van mijn ( manier van) geloven zo groot, zo fundamenteel in mijn verlangen verankerd dat ik er graag continuiteit aan wil geven. Als in de bijbel gesproken wordt over Jezus, die over water loopt, dan kan ik dat alleen als metafoor opvatten. Op mijn fietstocht op de heenreis langs de grachten zie ik rondvaartboten door het water snijden en de gedachte om daar op te lopen is absurd. De wortels van het christelijk geloof liggen in een ver verleden, zijn gestold in de boeken van het oude en nieuwe testament, en in de kerktradities van generatie op generatie doorgegeven, aangepast en qua vorm vernieuwd. De vraag die mij bezighoudt : is het mogelijk om een vorm van geworteldheid vast te houden, en tegelijkertijd de ongerijmdheden, de inconsistenties en de dogmatische verstarringen af te wijzen?

Het denken over God is een ankerpunt in de vaststelling van wat iemand gelooft. Het spreken over God staat in het recente christelijke discours open voor een steeds groeiend en soms ook krimpend inzicht. Postmoderne christenen hebben verschillende godsbeelden en ik stel voor om daarbij niet naar 1 definitie in het spreken over God te streven. Er zijn m.i. vele manieren om God te verstaan, te denken, te bespreken, maar wie of wat God is laat zich niet zomaar vast zetten in woorden of beelden. In mijn beleving ervaar ik soms, en dat is echt niet vaker dan “af en toe”,  iets dat het hier en nu overstijgt, iets van transcendentie : in het moment een inspiratie, een gevoel van zingeving “dit doet er echt toe”. Dan lijkt het of je wordt aangeraakt door iets of iemand, dat je wordt opgetild boven het aardse, dat je iets herkent, wat jou tot dan toe onbekend was. Deze transcendente ervaring heeft waarschijnlijk een verband met de eeuwenoude zoektocht naar zin en oorzaak, zoals die uit de mond der profeten is opgetekend. Op de vraag “geloof jij in God” is derhalve naar mijn mening geen zinvol antwoord te geven in termen van ja of nee.

Het goddelijke is steeds verrassend aanwezig tussen ons, om ons heen of ons vooruit. Wel veronderstel ik dat ik Gods aanwezigheid kan herkennen in de mens Jezus. In de verhalen over hem zie ik iemand die een passie had voor gerechtigheid voor alle mensen, die de liefde voor de ander in het centrum van het universum plaatste. Zo is hij een “spiegel van God “. De dichter J.W. Schulte Nordholt wist dit met zijn poezie veel dichter te benaderen dan met ( mijn)  proza mogelijk is :

Denkend over God en mij

 

Als ik God zeg dan bedoel ik niet
al de bomen met hun hoofd omhoog,
en de zon niet met zijn gouden oog,
en de hemel niet en het verschiet,

en niet binnenin het warm gevoel
als ik aan de grens des levens sta,
en het duister niet waarin ik ga.
God ik weet het niet wat ik bedoel.

Ik bedoel, want eindeloos probeer
ik te zeggen wat ik zeggen wil,
ik bedoel een licht dat niet bestaat,

ik bedoel een goddelijk gelaat
dat onzichtbaar is, de stem zo stil
dat ik hem niet hoor als ik hem eer.

Ik twijfel dus als ik naar de letterlijke teksten uit de bijbellezing luister, als ik een stellig lied meezing, als ik in de preek de dominee op zijn kop zie staan om een onwaarschijnlijk wonderverhaal nog een zinvolle draai te geven etc. etc. Maar ik doe mee als er gezocht wordt naar diepere betekenis, als er geluisterd wordt naar inspirerende verhalen,  als er gemediteerd wordt in een stil gebed.

Als we zeggen dat we in de christelijke traditie staan realiseren we ons tegelijkertijd dat geloofsbeleving en –vorm aan verandering onderhevig is. Daarom telt de eigen beleving, de eigen vorm, terwijl er toch een verbinding is met de generaties voor ons. Dit kan tot uitdrukking komen in de toetreding tot een geloofsgemeenschap op grond van een zelf geschreven belijdenis, die in volledige persoonlijke vrijheid wordt geformuleerd. En bij de doopsgezinden gecombineerd wordt met de volwassenendoop. Het kan ook tot uitdrukking komen in de manier waarop met hart, hoofd en handen praktisch invulling wordt gegeven in het dagelijkse leven. Geloven met het hart gaat over de ervaring van de spirituele verbinding van de mens met God, het hogere : het openstellen van jezelf voor wat de mens overstijgt, het transcendente, wellicht ook het mysterie. Het is verbonden met de ervaring van het centrale begrip liefde ( het belangrijkste gebod), met vertrouwen, met hoop en met vrede met onszelf, de naaste en de vreemde. Geloven met het hoofd komt tot uitdrukking in de persoonlijke belijdenis, kritische reflectie, luisteren( ook naar de preek : ) ), verbinding te zoeken met de rationele wereld waar we deel van uitmaken. Geloven met de handen is een levenshouding waaruit voortvloeit dat we in de wereld een actieve bijdrage geven aan goede doelen, aan hulp van onze medemensen, en door in woord en daad vrede te “doen”, zowel op micro- , op meso- als op macro-niveau.

Op het doopsgezind seminarie, verbonden aan de Vrije Universiteit, zijn wij, docenten en curatoren,  met deze materie dagelijks aan het worstelen. Daarbij hebben we 4 prioriteiten gekozen :

Verleden : studie van onze geloofswortels door de eeuwen heen, wat leren we van onze voorouders

Vrede : hoe ziet het christelijk vredesgetuigenis eruit, hoe dragen we aan vrede bij

Vrijheid : welke ontwikkelingen zien we in de vrije ontwikkeling van geloof, wat is de verbinding met de filosofie

Vakmanschap : welke competenties heeft de moderne predikant nodig in een seculiere wereld

De tijd dat  seminarie of universiteit vanuit de ivoren toren waarheid en wijsheid over predikanten, gelovigen en de wereld uitstortte ligt ver achter ons. Onze theologen staan midden in een veranderende maatschappij en zien dagelijks dat het geloofsmodel ( in universitaire terminologie : het paradigma) anders is of moet. Ik mag daar aan bijdragen, vanuit mijn twijfel, en vanuit mijn diepgewortelde overtuiging dat ik in mijn vrijzinnige geloof verbonden ben met een lange traditie.

 

Na de kerkdienst neem ik meestal een andere route terug naar huis, langs Leidsegracht, over het Leidseplein en door het Vondelpark. Over het water in de gracht wordt nog steeds niet gelopen, bij het Leidsebosje verkeert in de boom een beeldje van een man die de tak doorzaagt waarop hij staat, en in het park staat prominent Vondel die ooit het gedicht “Credo” schreef, dat als volgt eindigt  :

“Dit is ’t Apostelijk geloof

dat niemand ons hiervan beroof”

 

essay 1 laten we opletten

Laten we opletten

Wie kent de naam Cemsto nog, en wie weet nog wat dat betekent? C.e.m.s.t.o. staat voor Chemische en mechanische stofbestrijdingsorganisatie, in de tweede helft van de 20e eeuw het grootste schoonmaakbedrijf in Nederland, toen bijna een merknaam. Nu na een aantal naamswisselingen opgegaan in een internationale organisatie. Ik begon er als personeelsman, en heb , om de beleving van het werk aan den lijve te ervaren, een aantal maanden elke avond een bankfiliaal in Amsterdam schoongemaakt. Dat was stevig aanpoten, stofzuigen, prullebakken legen, bureaus wissen, toiletten poetsen, en dat alles in een langzaam leeglopend pand, van 17.30 tot 20.00, want dan begon het journaal. Het eiste een redelijk strakke discipline, de objectsleidster had haar ogen niet in de zak en de klant kon je bijna aanraken. Wat ik niet meer vergeet is dat best veel bankmedewerkers, die meestal hun werk aan het afsluiten waren, vrijwel geen notie namen van mijn aanwezigheid : ik was een soort non-person. Soms werd een vertrouwelijke conversatie, over klanten, of over een gekruid seksueel onderwerp ( #metoo bestond nog niet), gewoon hardop vervolgd als ik de kamer binnenkwam : dat zou toch wel boven mijn pet gaan. En tijdens de (korte!) koffiepauzes hoorde ik van schoonmaakcollega’s dezelfde ervaring, zij waren er aan gewend.

In 2011 hebben de vakbonden in Nederland massale stakingen van de schoonmakers weten te organiseren, en met o.m. de “mars voor respect” en sit-in acties in het Centraal Station Utrecht hebben ze de schoonmakers een gezicht gegeven. Ik werkte toen als personeelsdirecteur bij de NS, die hard getroffen werden door de stakingen, en werd na dertig jaar in andere branches te hebben gewerkt, weer volop geconfronteerd met de schoonmaaksector. In die jaren was de uitbesteding sterk voortgeschreden, en had een ongereguleerde marktwerking geleid tot een uitholling van de kwaliteit(klanten), de marges(bedrijven) en het vakmanschap(werkdruk schoonmakers). Ik schrok van de verschillen met mijn eigen ervaringen uit het begin van mijn loopbaan : de productiviteit ( b.v.aantal vierkante meters per uur om schoon te maken) was bijna verdubbeld, de span of control ( het aantal medewerkers per leidinggevende) was meer dan verdubbeld en het respect voor de mens achter de schoonmaker, voor zijn/haar vakmanschap, was schrijnend achtergebleven bij andere beroepen. Wijzelf, NS, schrokken ook toen we zagen hoe de verblijfsruimtes in de stations voor de schoonmakers eruit zagen. Ik ben door de vakbond meegenomen naar het CS in Amsterdam, en trof in de krochten, onder de rails, een donker hol, al jaren lekkend, met kromgetrokken oude tafels en gammele stoelen, en een doorgebrand koffieapparaat. Niemand van NS wilde zoiets, maar het kon gebeuren, omdat het werk was uitbesteed en omdat  de verantwoordelijkheid voor een fatsoenlijk sociaal beleid ver uit het zicht van de opdrachtgever was geraakt. We hebben die verblijfsruimtes, ook in alle andere stations waar dat aan de orde was, binnen een week opgeknapt. Maar ook goed geluisterd naar de werkgevers en de vakbonden die zeiden : we hebben jullie in je rol als opdrachtgevers nodig om in de markt, waar de contracten gesloten worden, de negatieve prijs- en kwaliteitsspiraal een halt toe te roepen. Met een aantal grote opdrachtgevers (NS, Schiphol, Rijksoverheid, Erasmus MC, ROC Friesche Poort, e.a.) hebben we vervolgens, samen met vakbonden, werkgevers en intermediars de Code Verantwoordelijk Marktgedrag in het leven geroepen.

Met de Code nemen we invloed om marktgedrag te beinvloeden ( meer verantwoordelijk) aan de “voorkant” om de ruimte voor fatsoenlijk sociaal beleid aan de “achterkant” mogelijk te maken. En daar mee zitten we ook midden in de flexdiscussie. Heel veel werk wordt tegenwoordig in uitbesteding gedaan ( catering, beveiliging, projectverhuizing, schoonmaak, glazenwasserij, etc) , hetgeen betekent dat die diensten worden ingekocht op de markt. En marktwerking gaat niet vanzelf goed, je moet zorgen dat er bij dienstverlening geen mensen “als pakjes over de heg gezet worden”. Als opdrachtgevers zich medeverantwoordelijk blijven voelen voor wat er  “achter de knip”( van de uitbesteding) gebeurt, dan gaat het echt beter met de werknemers, en ook met de kwaliteit van de dienstverlening, is onze ervaring na 8 jaar Code.

Eigenlijk is het eenvoudig. Het gaat erom dat je altijd de mensen blijft zien achter de contracten, achter de KPI’s, achter de marktspelers. Willen we in Nederland duurzame arbeidsverhoudingen, dan moeten we willen zorgen dat branches in facilitaire dienstverlening goede banen kunnen scheppen, opleidingen kunnen verzorgen, goed sociaal beleid voeren, en niet in de markt met de rug tegen de muur gezet worden. Goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap is nodig, en het begint met de menselijke maat.  In onderstaand gedicht staat mijn hartekreet vanuit de Code :

 

laten we opletten

 

al deze mensen

horen bij ons

ze werken bijna

ongezien ze verwachten

geen glorie ze eten

van dezelfde tafel

 

al deze mensen

warmen zich

ze schuilen onder

ons dak ze hopen

op morgen ze openen

dezelfde deuren

 

al deze mensen

ademen lucht

ze leven op

aarde ze geloven

onze woorden ze zoeken

hetzelfde geluk

 

laten we opletten